- uitzetten
- {{uitzetten}}{{/term}}I 〈overgankelijk werkwoord〉1 [buiten iets zetten] throw/put out ⇒ expel, 〈uit land〉 deport, 〈informeel〉 throw out2 [uitspreiden] spread (out)3 [verspreid zetten] set/spread (out)4 [op interest zetten] place, put out5 [buiten werking stellen] switch/turn off6 [uitmeten, aftekenen] measure (out) ⇒ plot, mark off/out7 [in omvang doen toenemen] expand ⇒ enlarge, 〈langer maken〉 extend♦voorbeelden:1 ongewenste vreemdelingen uitzetten • deport/expel undesirable aliens2 de zeilen uitzetten • spread the sails3 planten uitzetten • put plants out, plant seedlings outschildwachten uitzetten • post sentries/guards4 geld uitzetten • put out money5 het gas uitzetten • switch/turn the gas off6 een koers uitzetten • plot/chart a courseII 〈onovergankelijk werkwoord, wederkerend werkwoord; zich uitzetten〉1 [in volume toenemen] expand ⇒ swell, 〈wetenschappelijk〉 dilate♦voorbeelden:1 door warmte zetten de meeste stoffen uit • heat causes most materials to expand
Van Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels. 2015.